N A AR  M E N U

Hoe bloembollen muziek gingen betalen

Het Haarlemsche Muziekfonds vindt zijn oorsprong in de nalatenschap van Carl Gottfried Voorhelm Schneevoogt, een succesvolle, vermogende bloemkweker, die in 1877 overleed.

De geschiedenis die tot dusverre getraceerd is gaat terug tot de eerste helft van de zeventiende eeuw, toen weduwnaar Dirk Janssen Voorhelm uit ´t sticht Münster´ naar Haarlem kwam. Niet al te ver van Münster, tussen Hamm en Bielefeld, ligt trouwens het plaatsje Vorhelm waarheen het spoor van Janssen ongetwijfeld verder terug te herleiden is.

Dirk Janssen Voorhelm vestigde zich dus in de Spaarnestad, begon een kwekerij en bleek een noeste vrome doopsgezinde kerel die vervolgens nog driemaal trouwde. Uit een van die huwelijken werd een zoon geboren: George. En de oudste dochter van deze George, Catharina, trouwde op haar beurt in 1770 weer met een telg uit een andere doopsgezinde Haarlemse familie: Gottfried Schneevoogt. Dit is allemaal in de jaren dertig van de vorige eeuw uitgezocht door de doopsgezinde predikant J.G. Frerichs, die een korte historie over beide families publiceerde in het Haarlems Doopsgezind Gemeenteblad.
Frerichs interesseerde zich vooral voor het religieuze wel en wee en de bemoeienis van beide families met de kaders van de doopsgezinde gemeente, maar er zijn uit zijn verhaal toch ook nog wel wat andere biografische gegevens te halen. Dat er in beide Haarlemse families weinig mannelijke nakomelingen waren, bijvoorbeeld, en dat er dus om de familienaam voor uitsterven te behoeden, besloten werd de beide namen te combineren en zo het voortbestaan te verzekeren. Vandaar dat de oudste zoon van Gottfried en Catharina de naam George Voorhelm Schneevoogt kreeg.

Deze George was het die de kwekerij uitbouwde tot een internationaal bloembollenimperium, waarvoor hij zelf vele buitenlandse reizen maakte. Een mondain man dus, die George. En dat straalde hij ook af op zijn in 1802 geboren zoon Carl Gottfried, die in 1830 zijn eigen kwekerij begon aan de Kleine Houtweg; een gebied buiten de bebouwde kom van Haarlem dat bekend stond om zijn tuinbouw. De naam Rozenprieel voor de wijk die later, in de twintigste eeuw, op die plek gebouwd zou worden kwam ook niet uit de lucht vallen.
Later begon Voorhelm Schneevoogt op dezelfde plek een onderneming met de in die tijd reeds vermaarde tuin- en landschapsarchitect J. D. Zocher. In het Regio-archief Kennemerland bevindt zich nog altijd een fraai ingebonden prijscatalogusje van het bedrijf, welliswaar van enkele jaren na de dood van Voorhelm Schneevoogt,´Prijscourant van Bloem- en Moeszaden, Voorjaarsbollen, enz.´ En onder aan de pagina ´Hofleveranciers van Z.M. den koning van Pruissen´.
Maar niet alleen de Pruisische vorst kwam op Rozenhagen, zoals het landgoed heette, voor zijn moestuintje shoppen. Voorhelm Schneevoogt boerde goed en maakte naast zijn werk veel tijd vrij om zich als Haarlemse notabel in bestuursfuncties en het culturele leven te storten. Hij was vele decennia lang regent van het Sint Elisabeth's Gasthuis, secretaris van muziekvereniging Toonkunst en directeur van de Teylers Stichting. Daarnaast was hij actief prentenverzamelaar.

In 1877, twaalf jaar na zijn vrouw Sita, overleed Carl Gottfried. Hij liet maar liefst 3000 prenten aan de Gemeente Haarlem na, plus een bedrag van 2000 gulden met de opdracht aan de burgemeester om daarmee een muziekfonds te stichten.
Enkele maanden later, februari 1878, liet de toenmalige burgervader Ernst Anton Iordens formeel de oprichting van de nieuwe stichting ´Het Haarlemsche Muziekfonds´ vastleggen.

Peter Bruyn